Geschiedenis van de gemeente Heemskerk

Ook andere edelen lieten hier, al of niet daartoe aangespoord door de graven van Holland, versterkingen oprichten, zoals Adrichem, Banjaert, Meerestein, Rietwijk, Poelenburg, ’t Huis tot Heemskerk (het latere Marquette) en Assumburg. Heemskerk lag in die tijd immers in de frontlinie tussen het graafschap Holland en het woongebied van de West-Friezen en het was daarom zaak Holland te verdedigen tegen mogelijke aanvallen vanuit het Westfriese gebied. Tegelijkertijd konden al deze kastelen dienen als uitvalsbasis om het woelziek en wispelturig volk der Friezen te onderwerpen. In 1274 gaven de Friezen zich gewonnen en werd West-Friesland bij Holland gevoegd, waardoor al deze kastelen hun offensieve en defensieve betekenis verloren. Op twee uitzonderingen na, Heemskerk (Marquette) en Assumburg, zijn zij alle in de loop der eeuwen verwoest of gesloopt. In 1610 kwam het Huis tot Heemskerk in bezit van de edelman Daniel de Hertaing, heer van Marquette. De laatste bewoner van het landgoed was jonkheer Gevers. In 1980 verkocht hij zijn bezit. Het kasteel wordt tegenwoordig gebruikt als restaurant en congrescentrum. In 1867 ontruimde de weduwe van Jacob Maarten Deutz van Assendelft het slot Assumburg. In 1933 werd het kasteel, dat in 1546 zijn huidige gedaante heeft gekregen, ingericht tot jeugdherberg.

Huis Marquette. P.J. Lutgers, 1842.

 

Huis Marquette. P.J. Lutgers, 1842.

Meer schulden dan bezittingen

In 1514 moest de schout Jan Claeszoon van Heemskerk verschijnen voor een onderzoekscommissie om informatie te verstrekken over de financiële en economische toestand van zijn dorp. Onder ede verklaarde hij toen dat Heemskerk slechts 60 woningen telde en dat liefst 40 daarvan bewoond werden door arme lieden die meer schulden dan bezittingen hadden. De meeste Heemskerkers in die tijd, aldus de schout, verdienden een schamele boterham met wat landbouw en het verzamelen en vervoeren van schelpen voor de kalkovens.

Sint Laurentiuskerk

In de eeuwen die volgden, veranderde er weinig. Zelfs de hervormingsbeweging liet weinig sporen na. De katholieken moesten weliswaar ‘hun’ kerk afstaan aan de gereformeerden en voortaan genoegen nemen met een schuilkerkje in de buurt Oosterzijde, maar zij bleven wel de meerderheid vormen. Pas in 1891 kregen zij weer een representatief kerkgebouw, de Sint Laurentiuskerk met haar markante toren. In 1895 werd naast de kerk het Mariaklooster ingezegend. Tegenover de kerk en het klooster werden enige tijd later eerst de jongensschool Sint Joseph (1918) en korte tijd later de Mariaschool (1920) voor meisjes gebouwd, waardoor dit plekje het middelpunt werd van het rijke roomse leven van Heemskerk.

 

foto van Frank van Oploo.

Aardbeien

In 1811 telde het dorp 679 inwoners, van wie bijna 80% rooms-katholiek. Ruim 70% van de beroepsbevolking was in die tijd werkzaam in de landbouw en hield zich bezig met het telen van haver, gerst, rogge en rapen, de rest met de veeteelt. Van de bijna 1600 morgen (oude landmaat waarvan de grootte in verschillende streken zeer uiteenloopt) cultuurgrond was toen bijna een derde in gebruik als bouwland, het overige als wei- en hooiland. Een eeuw later, in 1911, telde Heemskerk 3022 inwoners. De aardbeiencultuur was toen de belangrijkste bron van inkomsten, mede dankzij de introductie van verbeterde en sterkere aardbeienrassen, zoals de ‘Amazone’, waardoor de vruchten langer houdbaar waren en dus over een groter afzetgebied verspreid konden worden. Viel de opbrengst tegen, dan was het armoe troef. Was de oogst daarentegen overvloedig, dan betekende dit handenvol werk en kreeg de Heemskerkse jeugd tien weken plukverlof. De aardbeien werden naar Beverwijk gebracht, waar zij werden geveild. Voor het vervoer werden soms ezels gebruikt, en het is aan deze dieren te danken dat de Heemskerkers opgezadeld werden met de bijnaam ‘ezels’.

Eigen halte

De grote afhankelijkheid van Heemskerk van de tuinbouw zorgde ervoor dat de gemeente lange tijd haar gesloten agrarisch karakter heeft behouden. Bij de aanleg van de spoorlijn Den Helder-Haarlem in 1867 liet men Heemskerk links liggen. Wel kreeg het dorp in 1897 een eigen halte aan de Rijksstraatweg bij de herberg van Barend de Roode, waar men de stoomtram van Haarlem naar Alkmaar kon nemen. In 1924 werd deze tramlijn echter al weer opgeheven. De omnibus, die de dorpelingen vanuit het dorp naar deze tramhalte bracht, was al in 1902 uit het dorpsbeeld verdwenen, omdat de Heemskerkers er nauwelijks gebruik van maakten.

Grootschalige industrie

Na de Tweede Wereldoorlog brak voor Heemskerk een tijd aan van grote veranderingen. Nederland moest weer worden opgebouwd en de regering was van mening dat grootschalige industrie daar een belangrijke bijdrage aan kon leveren. Voor de regio IJmond betekende dit ongekende perspectieven. Tal van nieuwe bedrijven vestigden zich aan weerszijden van het Noordzeekanaal en bestaande bedrijven, met name Hoogovens, kregen de mogelijkheid zich uit te breiden. Het gevolg was dat het inwonertal in de regio omhoogschoot. Terwijl in de rest van Nederland de bevolking tussen 1950 en 1965 toenam met gemiddeld 20%, steeg in de gemeenten Velsen, Beverwijk en Heemskerk de bevolking met 65%. Vooral Heemskerk was erg in trek. Tussen 1960 en 1968 verdubbelde het inwonertal zich ruimschoots van 11.000 tot bijna 25.500. Om al deze nieuwkomers woonruimte te bieden werden nieuwe wijken uit de grond gestampt: Kerkbeek, Oosterzij, Poelenburg, Assumburg, de Maer en de Dye. Tegenwoordig telt de gemeente Heemskerk meer dan 39.000 inwoners